Expertisecentrum Europees Recht

Rechtvaardigingsgronden

Een maatregel die het vrij verkeer belemmert, kan uiteindelijk toch gerechtvaardigd zijn op grond van het EU-recht. In het Verdrag zelf, maar ook in de jurisprudentie, zijn gronden te vinden die belemmeringen toestaan. Let wel: artikel 30 en artikel 110 EU-Werkingsverdrag kennen geen rechtvaardigingsgronden!

Verdragsrechtelijke uitzonderingen: art. 36 EU-Werkingsverdrag
Volgens artikel 36 EU-Werkingsverdrag mag een lidstaat kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking opleggen als deze gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de in dat artikel genoemde belangen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de openbare zedelijkheid, de openbare orde en de gezondheid en het leven van personen en dieren.
artikel 36 is van toepassing op invoer, uitvoer en doorvoer. Tevens geldt het zowel voor maatregelen met onderscheid als maatregelen zonder onderscheid. Het Hof heeft de eisen voor een geslaagd beroep op dit artikel uitgewerkt, waarbij het veel belang hecht aan de proportionaliteit van de maatregel. Een maatregel is niet proportioneel (evenredig) en valt niet onder de uitzondering van artikel 36 EU-Werkingsverdrag wanneer het mogelijk is om met een minder beperkende maatregel dezelfde bescherming te garanderen. Een goed voorbeeld is de zaak Sandoz (174/82), waarin het Hof toestond dat de Nederlandse regering de import van producten waaraan vitaminen waren toegevoegd weerde, omdat deze toevoegingen slecht zouden zijn voor de gezondheid.

Uitzonderingen uit de jurisprudentie: rule of reason
Aangezien artikel 36 EU-Werkingsverdrag een limitatief karakter heeft, en de daarin opgesomde gronden onvoldoende waren om tegemoet te komen aan de publieke belangen van de lidstaten, heeft het Hof de zogenaamde Cassis-de-Dijon uitzondering of de rule of reason geïntroduceerd: belemmeringen van intracommunautaire verkeer moeten worden aanvaard voor zover dringende behoeften ze noodzakelijk maken (zie Cassis de Dijon, 120/78). In latere rechtspraak wordt ook wel verwezen naar dwingende eisen. De voornaamste van deze dwingende vereisten hebben betrekking op een maatschappelijk belang, zoals milieubescherming, consumentenbescherming, bescherming van de grondrechten en verbetering arbeidsomstandigheden.
Net als bij een beroep op artikel 36 EU-Werkingsverdrag moet de nationale wetgeving ook hier voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, hetgeen wil zeggen dat de betrokken maatregel geschikt en noodzakelijk dient te zijn om het ingeroepen belang te beschermen.

Een in het oog springend verschil met artikel 36 EU-Werkingsverdrag is dat de rule of reason kan worden ingeroepen ter bescherming van ieder belang. Er is geen limitatieve lijst zoals bij artikel 36 EU-Werkingsverdrag het geval is. Een ander verschil is dat de rule of reason volgens de doctrine alleen voor 'maatregelen zonder onderscheid' geldt (Commissie - Ierland, 113/80). Er is echter jurisprudentie waarin het Hof deze eis loslaat en de rule of reason ook toepast op maatregelen met onderscheid (zie bijvoorbeeld zaak C-385/99 Müller-Fauré of C-379/98 PreussenElektra).