Expertisecentrum Europees Recht

C-436/15 Alytaus regiono atliekų tvarkymo centras

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   12 oktober 2015
Concept schriftelijke opmerkingen:       28 oktober 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   28 november 2015
Trefwoorden: bescherming financiële belangen Gemeenschap (terugbetaling); structuurfondsen; verjaringstermijn

Onderwerp
- Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
- Verordening (EG) nr. 1386/2002 van de Commissie van 29 juli 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen en de procedure inzake financiële correcties betreffende uit het Cohesiefonds toegekende bijstand;
- Verordening (EG) nr. 16/2003 van de Commissie van 6 januari 2003 tot vaststelling van bijzondere uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door het Cohesiefonds medegefinancierde acties.

De EURCIE verleent bij beschikking van 13-12-2001, gewijzigd 23-12-2002, steun voor de “Ontwikkeling van een afvalbeheersysteem voor de regio Alytus”. In maart 2002 tekenen de CIE en LIT een financieel memorandum. Daarin wordt als einddatum van de steunmaatregel 31-12-2004 gesteld – voltooiing betalingen uiterlijk eind 2006 en rapportage uiterlijk zes maanden na deze datum. 27-12-2004 stelt de EURCIE een gewijzigde beschikking vast: de wijziging behelst dat de uitgaven tot eind 2008 voor vergoeding in aanmerking komen. Ook in het financieel memorandum wordt als einddatum 31-12-2008 opgenomen. Verzoekster is een voor de exploitatie van het centrum voor afvalbeheer van de regio Alytus opgerichte particuliere onderneming waarvoor in 2004 een ‘cohesieprogramma’ is ondertekend. In onderhavige zaak gaat het om verweerders (agentschap voor beheer van milieuprojecten van het LIT MinMilieu) eis tot terugbetaling van door verzoekster ontvangen steungelden die verzoekster niet volgens de voorwaarden zou hebben gebruikt. Verzoekster eist nietigverklaring van verweerders besluit van 29-03-2013 en dat wordt toegewezen. De rechter oordeelt dat de besluiten zijn vastgesteld in strijd met de verjaringstermijn voor vervolging van Vo. 2988/95, de basis voor nietigverklaring. Verweerder gaat in beroep en vraagt verwijzing naar het HvJEU. Hij verwijst naar de in Vo. 2988/95 uiteengezette regel, volgens welke de verjaringstermijn bij meerjarige programma’s in elk geval loopt tot de dag dat het programma definitief is afgesloten.

De verwijzende LIT rechter (Hooggerechtshof in bestuurszaken) wijst allereerst op de beschikking van de EURCIE waarin de einddatum 31-12-2008 is opgenomen. Er is dus een duidelijk gedefinieerd eindtijdstip voor de uitgaven. Maar de Vo. roept ook vragen op: er wordt gesproken over de verjaringstermijn van meerjarige programma’s, maar verzoekster gebruikt in haar onderbouwing de termen ‘programma’, ‘maatregel’ en ‘project’ door elkaar. Gezien de bepaling over de verjaringstermijn bij meerjarige programma’s en het feit dat het programma nog niet was afgesloten is de kernvraag in de procedure is of de verjaringstermijn van Vo. 2988/95 van toepassing is op de in het geding zijnde rechtsverhoudingen. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Wat vormt een “meerjarig programma” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen?
2. Komen projecten als maatregel 2001 LT 16 P PE 003 “Ontwikkeling van een afvalbeheersysteem voor de regio Alytus”, waaraan steun is verleend bij beschikking nr. PH(2001)5367 van de Commissie van 13 december 2001 tot goedkeuring van maatregel 2001 LT 16 P PE 003, zoals gewijzigd bij beschikking nr. PH/2002/9380 van de Commissie van 23 december 2002, overeen met het concept van een “meerjarig programma” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95?
3. Indien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord, wat moet dan worden beschouwd als het tijdstip waarop de verjaringstermijn voor de vervolging in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 moet aanvangen?

Specifiek beleidsterrein: FIN, EZ, VenJ