Expertisecentrum Europees Recht

Gevoegde zaken C-331/16 en C-366/16 K e.a.

Gevoegde prejudiciële hofzaken C-331/16 en C-366/16 K e.a.

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   26 augustus 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       12 september 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   12 oktober 2016

Trefwoorden: verblijfsvergunning/asiel; ongewenstverklaringen op grond van artikel 1(F) vluchtelingenverdrag; recht op gezinsleven

Onderwerp: - Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New Vork van 31 januari 1967 (Trb. 1967. 76) (“Vluchtelingenverdrag”);

- EVRM artikel 8 (recht opgezinsleven);

- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van (enz)

Verzoeker in zaak C-331/16 heeft de nationaliteit van zowel Bosnië-Herzegovina als KRO. Hij is in januari 2001 met zijn echtgenote en zoon (geb. 1996) NL binnengekomen. In 2006 is nog een zoon geboren. Verzoeker heeft 02-02-2001 een aanvraag verblijfsvergunning ingediend die door verweerder (StasVenJ) is afgewezen. Zijn beroep is 13-12-2004 afgewezen en in hoger beroep heeft de RvS de uitspraak bevestigd. Op 27-07-2011 vraagt verzoeker asiel aan. Dit is 16-01-2013 afgewezen waarbij verzoeker een inreisverbod voor 10 jaar krijgt opgelegd. Zijn beroep tegen die uitspraak is 10-02-2014 afgewezen. Op 03-10-2014 vraagt verzoeker opheffing van het inreisverbod. Verweerder heft het inreisverbod op bij besluit van 22-07-2015 (gezien de toetreding van KRO tot de EU) en verklaart verzoeker daarbij ongewenst. De reden voor de afwijzingen is dat er ernstige verdenking bestaat dat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag: deelname aan speciale eenheden van het Bosnische leger, ('knowing participation') en dat eiser daarbij tevens het misdrijf persoonlijk heeft gepleegd ('personal participation'). Verweerder stelt bescherming van de openbare orde, alsmede de openbare veiligheid ter voorkoming dat NL burgers (-familie van- slachtoffers) geconfronteerd kunnen worden met personen die zich in hun land van herkomst schuldig hebben gemaakt aan ernstige 1(F)-gedragingen.

Verzoeker heeft gesteld dat hij als EU-burger slechts ongewenst kan worden verklaard indien vaststaat dat hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Dat zijn aanwezigheid in NL schadelijk voor de internationale betrekkingen zou zijn acht hij onvoldoende gemotiveerd. Het gaat om vermoedens van gedragingen van meer dan twee decennia geleden. Er zijn geen redelijke aanwijzingen dat in NL slachtoffers van eiser zijn. Hij is nooit vervolgd, noch veroordeeld voor daden in het kader van 1(F)-gedragingen. Hij verwijst naar arrest in C-554/13 waarin het HvJEU oordeelde dat een algemene motivering voor een gevaar voor de openbare orde in strijd is met EUrecht. Gezien de geïntegreerdheid van verzoeker en zijn gezinsleden stelt hij tevens strijd met EVRM artikel 8.

De verwijzende NL rechter (Rb DH) stelt vast dat door toetreding van KRO (01-07-2013) verzoeker en zijn gezin EU-burgers zijn. Op grond daarvan is de ongewenstverklaring opgelegd, een nationaalrechtelijke maatregel die aan EU-burgers voor onbepaalde tijd kan worden opgelegd. Vaststaat dat verzoeker deel heeft uitgemaakt van een eenheid van het Bosnische leger dat zich schuldig heeft gemaakt aan etnische zuivering van dorpen in het voormalig Joegoslavië en dat verzoeker in februari 1994 uit het Bosnische leger is gedeserteerd. Gezien het tijdsverloop sinds de 1(F)-gedragingen vraagt de rechter zich af of nog kan worden gesproken van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De RvS heeft eerder geoordeeld dat een dergelijke bedreiging naar haar aard blijvend actueel is, gezien de uitzonderlijke ernst van de misdrijven, verwijzend naar rechtspraak van het HvJEU en dat geen inschatting behoeft te worden gemaakt van toekomstig gedrag van een verzoeker. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of in situaties als die van eiser mag worden uitgegaan van een blijvend actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging. Hij wijst op arrest in zaak C-373/13 waarin niet kon worden volstaan met beoordeling van de ernst van de gedragingen in het verleden. Ook de zaak van de BEL Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die tezamen met deze aan het HvJEU is voorgelegd haalt hij aan. Met name gezien de in artikel 27.2 van RL 2004/38 gestelde evenredigheidseisen stelt hij het HvJEU de volgende vragen:

1. Staat artikel 27, tweede lid, van richtlijn 2004/38/EG toe, dat een burger van de Unie, zoals in deze zaak, voor wie in rechte vast staat dat artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is, ongewenst wordt verklaard omdat de uitzonderlijke ernst van de misdrijven waarop deze verdragsbepaling betrekking heeft tot de conclusie leidt dat aangenomen moet worden dat de dreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving naar zijn aard blijvend actueel is?

2. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, hoe moet worden onderzocht in het kader van een voorgenomen ongewenstverklaring of het gedrag van de burger van de Unie, zoals hierboven bedoeld, op wie artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is verklaard, moet worden beschouwd als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving? In hoeverre speelt daarbij een rol dat de 1(F)-gedragingen, zoals in het onderhavige geval, lang geleden - in dit geval: in het tijdvak van 1992 tot 1994 – hebben plaatsgevonden?

3. Op welke wijze speelt bij de beoordeling of een ongewenstverklaring kan worden opgelegd aan een burger van de Unie op wie artikel leF), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is verklaard, zoals in de onderhavige zaak, het evenredigheidsbeginsel een rol? Dienen daarbij, of los daarvan, de in artikel 28, eerste lid, van de verblijfsrichtlijn genoemde factoren te worden betrokken? Dient daarbij, of los daarvan, ook de in artikel 28, derde lid, aanhef en onder a, genoemde termijn van tien jaar verblijf in het gastland in aanmerking te worden genomen? Dienen onverkort de in de Richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38 (COM(2009)313) onder 3.3. genoemde factoren te worden betrokken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-57/09 en C-101/09 B e.a.; C-145/09 Tsakouridis; C-348/09 P I; C-554/13 Zh et O; C-373/13 T

Onderwerp: - Verordening 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot

vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen

- Richtlijn 2008/115/EG van het-Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over

gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van

derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

- Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming;

In zaak C-366/16 is verzoeker van verondersteld Afghaanse nationaliteit. Hij is op 07-02-2000 in NL aangekomen en heeft daar 05-03-2000 asiel gevraagd. Bij beschikking van de IND van 26-05-2003 is verzoeker uitgesloten van de vluchtelingenstatus op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, bevestigd door de Rb DH bij uitspraak van 04-11-2004. Verzoekers aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van EVRM artkel 3 is op 09-01-2006 door de IND afgewezen, bevestigd door de Rb DH op 30-03-2007. Verzoeker is daarop ongewenst verklaard. In 2011 heeft verzoeker zich met zijn op 28-12-1989 geboren NL dochter in BEL gevestigd. Dochter krijgt een E-kaart geldig tot 30-08-2016. Verzoeker dient op 05-10-2011 een aanvraag tot verblijf in maar die wordt door de BELStas afgewezen (13-11-2012) en ook hier wordt verzoeker ongewenst verklaard met bevel het grondgebied te verlaten. Verzoeker gaat in beroep maar dat slaagt niet. Hij dient dan 21-03-2013 een aanvraag in voor verblijf als bloedverwant van een EU-burger (de dochter). Ook dit wordt geweigerd (12-08-2013) met bevel tot verlaten van het grondgebied. 20-08-2013 volgt een tweede aanvraag, waarbij BELaut constateert dat verzoeker in het SIS gesignaleerd staat (door NLaut) voor ongewenstverklaring in NL. Uit informatie blijkt dat hij noch in NL noch in BEL veroordeeld is. Er volgt opnieuw een weigering tot verblijf met bevel tot verlaten grondgebied (18-02-2014). Zijn beroep bij BEL RvS wordt 28-10-2014 ontoelaatbaar verklaard. Op 18-09-2014 volgt een derde aanvraag voor verblijf bij dochter maar ook die strandt (05-01-2015). Zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) wordt voor wat betreft het bevel tot verlaten grondgebied gehonoreerd (17-06-2015) waarna BELStas een nieuwe beschikking neemt tot weigering van verblijf (08-10-2015). Op 29-11-2015 heeft hij een verzoek ingediend bij de RvV tot nietigverklaring van dit laatste besluit. Reden voor dit alles is de uit het NL dossier voortkomende inschatting van NLaut dat verzoeker inbreuken heeft gepleegd overeenkomstig artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, gezien zijn handelen in Afghanistan in zijn functie van politiek secretaris (periode 1981 – 1992).

Bij de verwijzende BEL rechter doet zich na soortgelijke overwegingen wat betreft het openbare orde-vraagstuk dezelfde vraag voor als in de NL zaak, of er sprake is van een actuele dreiging. Of, zoals verzoeker stelt, dat het enkele feit dat de NL asielinstanties toepassing hebben gemaakt van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag geen ‘vrijbrief' mag zijn om hem ook in BEL ongewenst te verklaren. Hij stelt het HvJEU de volgende vraag:

“Dient het Unierecht, in het bijzonder artikel 27, lid 2, van de Burgerschapsrichtlijn, al dan niet in samenhang met artikel 7 van het Handvest, zo te worden uitgelegd dat een verblijfsaanvraag, ingediend door een famielid-derdelander in het kader van gezinshereniging met een Unieburger, die op zijn beurt gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en vestiging, in een lidstaat kan worden geweigerd omwille van een dreiging die zou uitgaan van de loutere aanwezigheid in de samenleving. van dit familielid, die in een andere lidstaat uit de vluchtelingenstatus werd uitgesloten conform artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en artikel 12, lid 2, van de Kwalificatierichtlijn omwille van zijn betrokkenheid bij feiten binnen een specifieke historisch-maatschappelijke context in zijn land van herkomst, waarbij de actualiteit en de werkelijkheid van de dreiging op grond van het gedrag van dit familielid in de lidstaat van verblijf uitsluitend gesteund is op een verwijzing naar de uitsluitingsbeslissing zonder dat hierbij een inschatting plaatsvindt van het risico op recidive in de lidstaat van verblijf?"

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB