Expertisecentrum Europees Recht

C-431/17 Monachos

Prejudiciƫle hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    11 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    28 oktober 2017

Trefwoorden: advocatuur; beroepskwalificaties

Onderwerp:
-           Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven;

Feiten:

Verzoeker, monnik in het Heilig Klooster van Petras, dat valt onder de Kerk van Griekenland heeft bij verzoekschrift van 12.06.2015 de orde van advocaten te Athene (hierna: orde) verzocht om inschrijving op het bijzondere tableau van de orde als advocaat die zijn titel heeft verworven in een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten in de Republiek Cyprus, en de betrokken documenten overgelegd. Dat verzoek is bij besluit van 18.06.2015 van de raad van de orde afgewezen. Artikel 6(6) (op grond waarvan monniken niet de hoedanigheid van advocaat kunnen hebben) van de advocatenwet is ook van toepassing op advocaten die het beroep in Griekenland wensen uit te oefenen op basis van een in een andere lidstaat van de Europese Unie verworven beroepskwalificatie. Volgens verzoeker zijn bovenstaande bepalingen in strijd met richtlijn 98/5 omdat zij voorwaarden stellen die niet voorkomen in de richtlijn, die volledige harmonisatie van de voorwaarden voor inschrijving van advocaten van de Unie op de tableaus van alle lidstaten van de Europese Unie voorschrijft. Bovendien zou artikel 6(6) van de advocatenwet in strijd zijn met de vrije beroepsuitoefening in samenhang met het evenredigheidsbeginsel. Verweerster merkt op dat het onderhavige verbod zijn rechtvaardiging vindt in fundamentele beginselen en bepalingen die gelden voor de uitoefening van het beroep van advocaat. Inzonderheid merkt zij het volgende op: a) de advocaat dient zich ten volle te wijden aan de uitoefening van zijn beroep, terwijl de monnik wegens de op hem rustende verplichtingen daar niet toe in staat is; b) de uitoefening van het beroep van advocaat impliceert het aangaan van confrontaties, wat niet verenigbaar is met de waardigheid van een monnik; c) onafhankelijkheid van de advocaat is een voorwaarde voor de uitoefening van de werkzaamheden als advocaat, terwijl de monnik aan tuchtrechtelijk toezicht van de kerkelijke organen en gerechten is onderworpen; d) de advocaat moet zijn zetel en zijn kantoor in de regio van de betrokken rechterlijke instantie hebben, terwijl de monnik in zijn klooster moet wonen en slechts bij wijze van uitzondering verlof kan krijgen, hetgeen ook duidelijk aantoont dat hij niet onafhankelijk is; e) de advocaat mag zijn diensten niet om niet verrichten, terwijl het de monnik niet is toegestaan, stelselmatig een bezoldigde activiteit te verrichten. Volgens de orde kunnen de artikelen 3 en 6 van richtlijn 98/5 dan ook niet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan een monnik van de Kerk van Griekenland op het tableau van de betrokken orde van advocaten moet worden ingeschreven.

Overweging:

Het aan de orde zijnde geval betreft een uitzonderlijke situatie van monniken van de Kerk van Griekenland, die zich in een absoluut unieke situatie bevinden doordat zij vooral onderworpen zijn aan het gezag van de organen van drie publiekrechtelijke rechtspersonen. Volgens de verwijzende rechterlijke instantie blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn niet dat de wetgever de specifieke situatie van deze subjecten voor ogen had. De vraag rijst of, ingeval de beroeps- en gedragsregels van de ontvangende lidstaat monniken niet toestaan het beroep van advocaat uit te oefenen (vanwege de a) t/m e) vermelde redenen) de bevoegde orde van advocaten de monnik op zijn tableau dient in te schrijven zodat deze zijn beroep onder zijn oorspronkelijke beroepstitel kan uitoefenen, ofschoon zij daarna onverwijld op basis van de richtlijn kan en naar nationaal recht moet vaststellen dat de beroeps- en gedragsregels zijn geschonden, daar deze monniken verbieden het beroep van advocaat uit te oefenen omdat zij bovengenoemde waarborgen voor de uitoefening van het beroep niet bieden.

Prejudiciƫle vragen:

Moet artikel 3 van richtlijn 98/5/EG aldus worden uitgelegd dat de inschrijving van een monnik van de Kerk van Griekenland als advocaat op het tableau van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat dan die waarin hij zijn beroepstitel heeft verworven, om er zijn beroep uit te oefenen onder zijn oorspronkelijke beroepstitel, door de nationale wetgever kan worden verboden op grond dat monniken van de Kerk van Griekenland naar nationaal recht niet op de tableaus van de ordes van advocaten kunnen worden ingeschreven omdat wegens hun status de waarborgen die voor de uitoefening van het beroep van advocaat als onmisbaar worden beschouwd, ontbreken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Wilson C-506/04; Jakubowska C-225/09; Torresi C-58/13.

Specifiek beleidsterrein: VenJ