Expertisecentrum Europees Recht

C-440/17 GS

Prejudiciële hofzaak
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.
 

Termijnen: Motivering departement:    19 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    05 november 2017
 

Trefwoorden: fiscaal; vennootschapsbelasting; ongelijke behandeling
 

Onderwerp:

-           Artikel 49 VWEU en artikel 54 VWEU;

-           Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten;

-           Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad tot wijziging van richtlijn 2011/96/EU;

-           Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt;

 

Feiten:
 

De partijen strijden over de vraag of verzoekster (Pfeifer & Langen International BV) met betrekking tot de door haar in Duitsland gevestigde dochteronderneming in het jaar 2013 uitgekeerde dividenden recht heeft op teruggaaf van vermogensbelasting. Daarbij is met name in geschil of §50d lid 3 EStG in de vanaf 2012 geldende versie aan dit recht in de weg staat. Verzoekster is een in Nederland gevestigde kapitaalvennootschap. Zij is onderdeel van de Pfeifer & Langen-groep. De moedermaatschappij van de groep is gevestigd te Keulen. Van 2006 tot 2013 had verzoekster een belang in de in het binnenland gevestigde suikerfabriek Jülich (ZFJ GmbH), laatstelijk van 93,66 %. Naast haar belang in ZFJ GmbH hield verzoekster ook aandelen in talrijke buitenlandse vennootschappen. De bedrijfsactiviteiten van verzoekster concentreerden zich op drie bezigheden: optreden als holding, financieringsmaatschappij en inkoopmaatschappij. In het in geding zijnde jaar 2013 had zij drie medewerkers. Op 22.10.2013 heeft ZFJ GmbH onder meer aan verzoekster winst uitgekeerd. Daarbij heeft zij vermogensbelasting, vermeerderd met een solidariteitsheffing, ingehouden en afgedragen aan het bevoegde Duitse belastingkantoor. Verzoekster heeft verzocht om teruggaaf van de door ZFJ GmbH ingehouden en afgedragen Duitse belasting. Verweerder (Bundeszentralamt für Steuern) heeft dat verzoek afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster, na vergeefs bezwaar te hebben gemaakt, beroep ingesteld.

 

Overweging:
 

De verwijzende rechter heeft het Hof in twee andere zaken (C-504/16 en C-613/16) al prejudiciële vragen voorgelegd over de vroegere regeling van §50d lid 3 EStG 2012. Hij heeft echter ook ten aanzien van de gewijzigde, hier toepasselijke versie twijfels over de verenigbaarheid met het Unierecht. Los van de kwestie van een autonoom Unierechtelijk misbruikbegrip moet het misbruikbegrip van artikel 1(2) van richtlijn 2011/96 hoe dan ook worden uitgelegd in overeenstemming met het primaire Unierecht. De twijfels over de verenigbaarheid van §50d lid 3 EStG met de vrijheid van vestiging bestaan ook ten aanzien van de verenigbaarheid van deze bepaling met de richtlijn. Hieraan kan ook artikel 1(2) van de richtlijn niet afdoen. Anders zou men tot de slotsom kunnen komen dat een bepaalde feitelijke constellatie uit het oogpunt van de fundamentele vrijheden geen misbruikconstructie oplevert, maar volgens de richtlijn wel als zodanig moet worden aangemerkt. Dat zou niet in overeenstemming zijn met de uniformiteit van de rechts- en toetsingsmaatstaven in het Europese recht.

 

Prejudiciële vragen:
 

I) Verzet artikel 49 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 54 VWEU, zich tegen een nationale fiscale bepaling zoals die in het hoofdgeding, die een buitenlandse moedermaatschappij waarvan de enige aandeelhouder een in het binnenland gevestigde kapitaalvennootschap is, ontheffing van vermogensbelasting over winstuitkeringen ontzegt, indien daarin een deelneming wordt gehouden door personen die geen recht op teruggaaf of vrijstelling zouden hebben wanneer zij die inkomsten direct zouden verwerven, en de door de buitenlandse vennootschap in het desbetreffende boekjaar gerealiseerde bruto-inkomsten niet afkomstig zijn uit een eigen economische activiteit, en
 

1.         er voor deze inkomsten geen economische of andere relevante redenen zijn om een buitenlandse moedermaatschappij in te schakelen of
 

2.         de buitenlandse vennootschap niet aan het algemene economische verkeer deelneemt met bedrijfsmatige activiteiten die bij haar bedrijfsdoelstelling passen, terwijl voor in het binnenland gevestigde moedermaatschappijen ontheffing van de vermogensbelasting wel mogelijk is zonder dat de bovengenoemde voorwaarden daarbij bepalend zijn?
 

II) Dient artikel 1, lid 2, van de moeder-dochter-richtlijn aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling zich ertegen verzet dat een lidstaat een regeling vaststelt die een buitenlandse moedermaatschappij waarvan de enige aandeelhouder een in het binnenland gevestigde vennootschap is, ontheffing van vermogensbelasting over winstuitkeringen ontzegt, indien daarin een deelneming wordt gehouden door personen die geen recht op teruggaaf of vrijstelling zouden hebben wanneer zij die inkomsten direct zouden verwerven, en de door de buitenlandse vennootschap in het desbetreffende boekjaar gerealiseerde bruto-inkomsten niet afkomstig zijn uit een eigen economische activiteit, en
 

1.         er voor deze inkomsten geen economische of andere relevante redenen zijn om een buitenlandse moedermaatschappij in te schakelen of
 

2.         de buitenlandse vennootschap niet aan het algemene economische verkeer deelneemt met bedrijfsmatige activiteiten die bij haar bedrijfsdoelstelling passen?
 

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Cadbury Schweppes C-196/04; Test Claimants C-374/04; X C-87/13; C-Deister Holding 504/16; Juhler Holding C-613/16; Test Claimants C-524/04; de Lasteyrie du Saillant C-9/02; Eqiom en Enka C-6/16
 

Specifiek beleidsterrein: