Expertisecentrum Europees Recht

C-457/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    14 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    31 oktober 2017

Trefwoorden: discriminatie, onderwijs, studiebeurs

Onderwerp:
-           Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming;

Feiten:

Verzoeker is Italiaans onderdaan en is in Duitsland geboren en woonachtig. In 2013 behaalde hij aan een universiteit in Armenië de academische titel Bachelor of Laws. Verweerster (Studienstiftung des deutschen Volkes e.V.) is een geregistreerde vereniging. Deze verleent studiebeurzen in het kader van haar statutaire doel. Kort voor zijn 35e verjaardag nam verzoeker per e-mail van 11 december 2013

contact op met verweerster, en vroeg haar om informatie over de verlening van studiebeurzen in het kader van haar ‘Bucerius-Jura-programma’. Dit programma beoogde juridische onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland te stimuleren. In haar e-mail van 17.01.2014 antwoordde verweerster dat aanvragers het eerste staatsexamen moeten hebben afgelegd. Nog dezelfde dag wees verzoeker erop dat de door hem afgeronde ‘studie van vijf jaar’ vergelijkbaar is met het tweede staatsexamen rechtsgeleerdheid, aangezien hij in het betrokken derde land bevoegd is het ambt van rechter uit te oefenen en als advocaat werkzaam te zijn. Hij gaf aan dat de deelnamevoorwaarde in strijd zou kunnen zijn met de Duitse algemene wet inzake gelijke behandeling wegens discriminatie op grond van etnische of sociale afstamming. Op 01.02.2014 eindigde de inschrijvingstermijn voor het Bucerius-Juraprogramma

van verweerster. Verzoeker heeft zich voor deze datum niet ingeschreven. Nadien correspondeerden partijen verder schriftelijk over hun verschillende zienswijzen. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij door de afwijzende houding van verweerster werd ontmoedigd om zich in te schrijven. Verzoeker heeft een vordering ingediend tegen verweerster tot opheffing en staking van de benadeling op grond van zijn leeftijd of zijn afstamming, tot betaling van €18.734,60 en tot vaststelling van de verplichting tot betaling

van verdere schadevergoeding voor reiskosten. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen. Het beroep van verzoeker werd verworpen. Met het door de Senat toelaatbaar verklaarde beroep in Revision handhaaft verzoeker zijn in eerste aanleg ingestelde vorderingen. Of het beroep in Revision slaagt, hangt af van de uitlegging van artikel 2(2)b en artikel 3(1)g van de richtlijn. Voordat over de hogere voorziening wordt beslist, dient de behandeling van de zaak derhalve te worden geschorst en dient het Hof te worden verzocht om een prejudiciële beslissing. De rechter in hoger beroep heeft de ingestelde vorderingen ongegrond verklaard en in dit verband overwogen als volgt:

Overweging:

Het beroep in Revision kan alleen slagen, als de verlening van studiebeurzen door verweerster valt onder het begrip onderwijs in de zin van § 2 lid 1 punt 7 AGG, waarbij artikel 3(1)g van de richtlijn in nationaal recht is omgezet. Met de eerste prejudiciële vraag wordt verzocht om beantwoording van deze vraag. De vraag of de verlening van studiebeurzen onder artikel 3(1)g van de richtlijn valt, is niet zonder twijfel te beantwoorden. De uitdrukkelijke vermelding van de studiebeurzen is – evenals die van de subsidies en het noemen van de verantwoordelijkheid van de lidstaten – niet meer opgenomen in de definitieve versie van artikel 3(1)g van de richtlijn; daarin is thans alleen nog sprake van het ‘onderwijs’.

Prejudiciële vragen:

1. Valt de verlening door een geregistreerde vereniging (eingetragener Verein), van studiebeurzen ter stimulering van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland onder het begrip „onderwijs” in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43/EG?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Vormt bij de verlening van de in de eerste prejudiciële vraag genoemde studiebeurzen de deelnamevoorwaarde van het slagen voor het Erstes Juristisches Staatsexamen (eerste staatsexamen rechtsgeleerdheid; hierna: „eerste staatsexamen”) een indirecte discriminatie van een aanvrager in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/43/EG, wanneer de aanvrager, een burger van de Unie, weliswaar een vergelijkbaar diploma in een niet bij de Europese Unie horende staat heeft behaald, zonder dat de keuze van deze plaats waar het diploma is behaald, in verband staat met de etnische afstamming van de aanvrager, maar hij op grond van zijn woonplaats in Duitsland en de vloeiende beheersing van de Duitse taal net als een Duitse onderdaan de mogelijkheid had om na een rechtenstudie in Duitsland het eerste staatsexamen af te leggen? Maakt het hierbij verschil dat met het studiebeursprogramma, dat geen discriminerende kenmerken vertoont, wordt beoogd om afgestudeerden van een rechtenstudie in Duitsland door het stimuleren van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland kennis van buitenlandse rechtsstelsels, buitenlandervaring en taalkennis te laten opdoen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-83/14; C-457/93; C-343/92; C-177/88; C-363/12; C-54/07; C-1/95; C-123/10; C-7/12.

Specifiek beleidsterrein: OCW