Expertisecentrum Europees Recht

C-465/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    18 september 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    04 november 2017

Trefwoorden: aanbesteding, overheidsopdrachten; civiele bescherming

Onderwerp:
-           Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2016 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG.

Feiten:

Verzoekster sub 1 (Falck Rettungsdienste GmbH) verricht reddingsdiensten en diensten voor zieken. Zij maakt deel uit van het concern van verzoekster sub 2 (Falck A/S), een niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap naar Deens recht. De in het geding geroepen partijen 1, 2 en 3 zijn regionale eenheden van particuliere hulporganisaties die in de hele Bondsrepubliek actief zijn en die naar Duits recht erkend zijn als organisaties voor civiele bescherming en civiele verdediging. Verweerster (Stadt Solingen) is een grootstad in Nordrhein-Westfalen. Zij is overeenkomstig §6 van de Duitse wet inzake de reddingsdienst (hierna: RettG NRW) verantwoordelijk voor de reddingsdienst in Solingen. Verweerster trof in maart 2016 voorbereidingen voor een nieuwe gunningsprocedure voor reddingsdiensten voor de duur van vijf jaar. Verweerster heeft de aankondiging van de opdracht niet bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Op 11.05.2016 heeft zij vier hulporganisaties, waaronder de in het geding geroepen partijen 1, 2, en 3 een uitnodiging tot inschrijving gestuurd. Na ontvangst van de inschrijvingen, werden de betreffende percelen toegewezen aan de in het geding geroepen partijen 1 en 2. Verzoeksters hekelen dat verweerster de opdracht heeft gegund zonder deze vooraf in het Publicatieblad bekend te maken. Verzoeksters hebben beroep ingesteld bij de rechter in eerste aanleg in aanbestedingszaken om te doen vaststellen dat hun rechten waren geschonden en om verweerster ertoe te verplichten de diensten te gunnen door middel van een met het Unierecht conforme gunningsprocedure. Bij beslissing van 19.08.2016 heeft de rechter in eerste aanleg het door verzoeksters ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verzoeksters is de uitspraak waartegen zij bij de rechter in eerste aanleg hoger beroep hebben ingesteld, onjuist. Ter motivering voeren zij aan dat de rechter in eerste aanleg §107(1) punt 4 eerste zinsnede GWB, waarvan de bewoordingen volledig overeenstemmen met artikel 10(h) richtlijn 2014/24/EU, niet richtlijnconform heeft uitgelegd.

Overweging:

Of het door verzoeksters aangevoerde rechtsmiddel slaagt, hangt volgens de Senat af van het antwoord op de prejudiciële vragen. De bepalingen van het GWB, in de versie van de bekendmaking van 26.06.2013 en dus ook de bepalingen over de in §160 e.v. GWB geregelde beroepsprocedure inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, zijn slechts onder bepaalde voorwaarden van toepassing; er mag met name geen sprake zijn van een uitzondering (§107 e.v. GWB). Volgens §107(1) punt 4 eerste zinsnede, GWB mag het vierde deel van het GWB niet worden toegepast op de gunning van overheidsopdrachten betreffende diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie, die door non-profitorganisaties of -verenigingen worden verricht en met uitzondering van het ziekenvervoer per ambulance. De wetgever heeft artikel 10(h) richtlijn 2014/24/EU door middel van die bepaling in het nationale recht omgezet. In het licht hiervan zou het rechtsmiddel van verzoeksters al kunnen slagen wanneer aan één voorwaarde van de uitzondering niet is voldaan. Dat betreft de vragen of de diensten die verweerster wenst te betrekken en die aan de in het geding geroepen partijen 1 en 2 zijn toegewezen, diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie zijn wanneer moet worden aangenomen dat aan de voorwaarden voor een non-profitorganisatie of - vereniging is voldaan, en welke diensten onder de uitzondering ‘ziekenvervoer per ambulance’ vallen.

Prejudiciële vragen:

1. Zijn het verlenen van bijstand aan en de verzorging van spoedpatiënten in een ambulance door een ambulancehulpverlener/ambulanceverpleegkundige en het verlenen van bijstand aan en de verzorging van patiënten door een ambulanceverpleegkundige/ambulancemedewerker in een ziekenwagen „diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie” in de zin van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU, die onder de CPV-codes 7525000-7 (reddingsdienst) en 85143000-3 (ambulancediensten) vallen?

2. Kan artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU aldus worden begrepen dat in het bijzonder sprake is van „non-profitorganisaties en -verenigingen” bij hulporganisaties die naar nationaal recht zijn erkend als organisaties voor civiele bescherming en civiele verdediging?

3. Zijn „non-profitorganisaties en -verenigingen” in de zin van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU organisaties waarvan het doel bestaat in het vervullen van een opdracht van algemeen belang, die geen commerciële werkzaamheden verrichten en die de eventuele winst herinvesteren om het doel van de organisatie te verwezenlijken?

4. Is het vervoer van een patiënt in een ambulance met bijstand door een ambulanceverpleegkundige / ambulancehulpverlener (zogenaamd gekwalificeerd ziekenvervoer) „ziekenvervoer per ambulance” in de zin van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU, dat niet onder de uitzondering op de werkingssfeer valt en waarop richtlijn 2014/24/EU van toepassing is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Spezzino C-113/13; CASTA C-50/14; Commissie/Luxemburg C-220/94; Commissie/Spanje C-16/95; Commissie/Duitsland C-217/97; Commissie/Duitsland 29/84; Commissie/Italië 363/85; Genesis C-190/10.

Specifiek beleidsterrein: EZ; BZK; VWS