Expertisecentrum Europees Recht

C-516/17 Spiegel Online

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    10 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    26 november 2017

Trefwoorden: auteursrecht; informatie- en persvrijheid

Onderwerp:
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikelen 11, 17 en 51);
-           Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (hierna: richtlijn 2001/29).

Feiten:

Verzoeker is sinds 1994 lid van de Duitse Bundestag (tweede kamer van het Duitse federale parlement) en is auteur van een manuscript waarin hij pleit voor gedeeltelijke decriminalisering van geweldloze seksuele handelingen door volwassenen met kinderen, maar zich tegelijkertijd uitspreekt tegen volledige afschaffing van de zedenwetgeving. Het essay werd in 1988 gepubliceerd in boekvorm, als bijdrage aan een bundel. Het verscheen onder pseudoniem en in een door de redacteur gewijzigde versie. Bij brief van 05.05.1988 beklaagde verzoeker zich er bij de redacteur over dat de strekking van zijn artikel ten gevolge van de zonder zijn toestemming in de tekst aangebrachte wijzigingen was veranderd en verzocht hij hem om, in het kader van de distributie van het boek, de lezer daarop attent te maken in een mededeling van de uitgever – tevergeefs. Nadat hij in de daaropvolgende jaren herhaaldelijk was bekritiseerd voor de uitlatingen in zijn bijdrage aan dat boek, stelde verzoeker op 18.09.2013 het manuscript ter beschikking aan verschillende krantenredacties om aan te tonen dat het voor publicatie in boekvorm was gewijzigd. Hij gaf die redacties evenwel geen toestemming voor publicatie van de teksten. In plaats daarvan stelde hij op 20.09.2013 het manuscript en de in het boek verschenen bijdrage als download ter beschikking op zijn website, waarbij op elke bladzijde diagonaal de volgende tekst was aangebracht: “IK DISTANTIEER MIJ VAN DEZE BIJDRAGE…”. De bladzijden van de bijdrage aan het boek bevatten daarnaast het volgende opschrift: “VOOR DEZE TEKST IS GEEN TOESTEMMING GEGEVEN. DE TITEL EN DELEN VAN DE TEKST ZIJN VERDRAAID TEN GEVOLGE VAN DE VRIJE BEWERKING DOOR DE REDACTEUR.” Verweerster (Spiegel Online) beheert een online nieuwsportaal. Op 20.09.2013 publiceerde zij een artikel waarin werd uiteengezet dat de inhoud van de omstreden tekst toch niet door de redacteur was verdraaid. Uit een vergelijking tussen het manuscript en de bijdrage aan het boek moest blijken dat het centrale standpunt van verzoeker in de bijdrage aan het boek behouden was gebleven en qua strekking geenszins was veranderd door de wijzigingen van de redacteur. Naast het artikel waren onder het kopje “pdf-download” pdf-bestanden met de oorspronkelijke versies van het manuscript en de bijdrage aan het boek als download ter beschikking gesteld. Verzoeker maakt bezwaar tegen de beschikbaarstelling van de volledige teksten op de website van verweerster, die hij als een schending van zijn auteursrechten en zijn morele rechten als auteur beschouwt. Hij wees verweerster tevergeefs op de mogelijkheid om, in plaats van de bestanden, links te plaatsen naar de teksten die op zijn eigen homepage ter beschikking waren gesteld. Zijn vordering tot staking van de publicatie in de door hem gelaakte vorm werd in eerste en in tweede aanleg toegewezen. Met het door haar ingestelde beroep in Revision verzoekt verweerster thans de hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken om afwijzing van die vordering.

Overweging:

Allereerst rijst de vraag of bij de omzetting van de hier aan de orde zijnde bepalingen van richtlijn 2001/29 sprake is van discretionaire ruimte. Deze vraag is relevant voor de beslechting van het geschil, aangezien nationaal recht waarbij een richtlijn van de Europese Unie in Duits recht wordt omgezet, volgens de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht in de regel niet meer wordt getoetst aan de grondrechten van het Grundgesetz, maar alleen aan het Unierecht en daarmee ook aan de door dit Unierecht gewaarborgde grondrechten, echter alleen voor zover de richtlijn de lidstaten geen discretionaire ruimte laat, maar dwingende regels stelt. Vervolgens is het de vraag op welke manier de grondrechten van het Handvest in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de reikwijdte van de hier aan de orde zijnde bepalingen van richtlijn 2001/29. Daarenboven is het de vraag of de grondrechten op informatievrijheid of persvrijheid een rechtvaardiging kunnen bieden voor niet onder richtlijn 2001/29 vallende beperkingen of restricties op het uitsluitende recht van de auteur.

Prejudiciële vragen:

1) Is er discretionaire ruimte bij de omzetting in nationaal recht van de Unierechtelijke bepalingen inzake de in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG vervatte beperkingen of restricties op de rechten [bedoeld in de artikelen 2 en 3 van die richtlijn]?

2) Op welke manier dienen de grondrechten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de omvang van de in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG opgenomen beperkingen of restricties op zowel het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG] als het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG)?

3) Kunnen de grondrechten op informatievrijheid (artikel 11, lid 1, tweede zin, van het Handvest) of persvrijheid (artikel 11, lid 2, van het Handvest) een rechtvaardiging bieden voor niet onder artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG vallende beperkingen of restricties op zowel het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG] als het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG)?

4) Is het niet reeds op grond van het feit dat een mediaonderneming de mogelijkheid had de auteur vooraf om toestemming te verzoeken voor de beschikbaarstelling van zijn werken, en dat dit van die onderneming redelijkerwijs kon worden verwacht, uitgesloten dat de beschikbaarstelling van die door het auteursrecht beschermde werken voor het publiek op het webportaal van de mediaonderneming wordt aangemerkt als verslaggeving over actuele gebeurtenissen als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder c), tweede geval, van richtlijn 2001/29/EG, waarvoor geen toestemming vereist is?
5) Is er van publicatie met het oog op citeren als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29/EG geen sprake wanneer geciteerde werken of gedeelten daarvan niet onlosmakelijk in de nieuwe tekst worden geïntegreerd – bijvoorbeeld in de vorm van inspringende tekst of voetnoten –, maar voor het publiek beschikbaar worden gesteld op het internet in de vorm van aanklikbare pdf-bestanden die los van de nieuwe tekst kunnen worden gedownload?

6) Is het voor de beantwoording van de vraag wanneer een werk in de zin van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29/EG geacht wordt reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, van doorslaggevend belang of dat werk in de betrokken specifieke vorm reeds met toestemming van de auteur is gepubliceerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Promusicae C-275/06; UPC Telekabel C-314/12; Phil Collins C-92/92 en C-326/92; Deckmyn en Vrijheidsfonds C-201/13.

Specifiek beleidsterrein: VenJ