Expertisecentrum Europees Recht

C-612/17 JT FIG e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    12 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 februari 2018

Trefwoorden: rechtspersoon;

Onderwerp:
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
-           VWEU;
-           Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (hierna: verordening);

Feiten:

Het ISTAT (nationaal bureau voor de statistiek van Italië) is bevoegd om elk jaar de geconsolideerde winst-en-verliesrekening van overheden op te stellen in het kader van de in het Verdrag van Maastricht geregelde buitensporigtekortprocedure. Op 29.11.2016 heeft de FIG nietigverklaring gevorderd van de door het ISTAT vastgestelde lijst van de overheden die in de geconsolideerde winst-en verliesrekening zijn opgenomen en vastgesteld (hierna: ISTAT-lijst 2016), voor zover de FIG in deze lijst is opgenomen onder de ‘producenten van diensten op het gebied van recreatie, cultuur en zorg’, en van elke andere daarmee verbonden handeling. Een eerder, op 02.12.2014 betekend beroep tegen de ISTAT-lijst 2014 was verworpen bij vonnis van 11.02.2015, terwijl het beroep tegen de ISTAT-lijst 2015 is behandeld tijdens de zitting van 21.12.2016 en door verwijzende rechter  is toegewezen bij vonnis van 09.03.2017. De FIG is in staat zichzelf volledig autonoom met eigen middelen te financieren, en bovendien is er volgens haar geen sprake van overheidstoezicht omdat er geen algemene indicator van zeggenschap is. Tot slot heeft de FIG aangevoerd dat zij ten onrechte op de ISTAT-lijst 2016 is geplaatst als gevolg van bevoegdheidsoverschrijding, omdat de resultaten van de zogeheten ‘markt-/niet-markttoets’ niet of verkeerd in aanmerking zijn genomen. Volgens de ISTAT is de FIG terecht op de lijst geplaatst. Wat de markt-/niet-markttoets betreft, heeft het ISTAT uitgesloten dat de inkomsten uit lidmaatschapsgelden en inschrijvingen kunnen worden gelijkgesteld met inkomsten uit verkoop van goederen en diensten. Aangezien de verhouding tussen de totale kosten en de totale inkomsten ruimschoots onder de 50% blijft, moet de FIG worden ingedeeld in de ‘niet-markt’-categorie en derhalve op de ISTAT-lijst worden geplaatst. Wat overheidstoezicht betreft, is er volgens het ISTAT sprake van een bepaalde inmenging van de overheid die het beheer van de FIG aanzienlijk beïnvloedt. Gezien de aanzienlijke invloed van het CONI op de nationale sportfederaties, is er volgens het ISTAT geen sprake van ‘volledige’ zelfbeschikking. Het ISTAT heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk en ongegrond is, en subsidiair dat het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging moet worden verzocht.

Overweging:

Het is niet duidelijk wat wordt bedoeld met ‘algemene door de overheid vastgestelde regels die van toepassing zijn op alle instellingen die dezelfde activiteit uitoefenen’ (punt 20.15 ESR 2010). Volgens de verwijzende rechter is dit een voor ruime uitlegging vatbaar begrip dat in het geval van sportfederaties betrekking kan hebben op zowel het beleid van het IOC en het CONI als op de wettelijke bevoegdheid tot erkenning van sportfederaties. Bij zijn onderzoek heeft de verwijzende rechter geen eerdere rechtspraak over de uitlegging van de verordening gevonden. Over de eerdere regeling, verordening nr. 2223/96/EG zijn wel enkele uitspraken gedaan, maar deze helpen niet om de uitleggingsvraag te beantwoorden. Het Europees systeem van rekeningen is essentieel om het beleid van de Unie te definiëren en de economieën van de lidstaten te monitoren. Een homogene en eenduidige uitlegging van de bepalingen van de verordening is derhalve fundamenteel.

Prejudiciële vragen:

1) Moet het begrip „algemene door de overheid vastgestelde regels die van toepassing zijn op alle instellingen die dezelfde activiteit uitoefenen” als bedoeld in punt 20.15 van verordening (EU) nr. 549/2013 (zogeheten „ESR 2010”) ruim worden opgevat opdat ook beleidsbepalende bevoegdheden van sportieve aard („soft law”) en wettelijk vastgelegde erkenningsbevoegdheden voor de verkrijging van rechtspersoonlijkheid en om werkzaam te kunnen zijn in de sportsector daarbij moeten worden inbegrepen, welke beide bevoegdheden in het algemeen betrekking hebben op alle nationale sportfederaties in Italië?

2) Moet de algemene indicator van zeggenschap als bedoeld in punt 20.15 van verordening (EU) nr. 549/2013 („de bevoegdheid om het algemene beleid of programma van een institutionele eenheid te bepalen”) in materiële zin worden opgevat als het vermogen om de beheersactiviteiten van een instelling zonder winstoogmerk te sturen, binden en beïnvloeden, of kan zij in atechnische zin worden geacht ook bevoegdheden van extern toezicht te omvatten die verschillen van de onder a), b), c), d) en e) van punt 20.15 gedefinieerde specifieke indicatoren van zeggenschap (zoals de bevoegdheid om de jaarrekening goed te keuren, accountants te benoemen, de statuten en bepaalde soorten reglementen goed te keuren, het sportbeleid te bepalen of sportprestaties te erkennen)?

3) Kan op grond van de punten 20.15, 4.125 en 4.126 van verordening (EU) nr. 549/2013, in samenhang gelezen, bij de beoordeling of er sprake is van zeggenschap van een overheid, rekening worden gehouden met lidmaatschapsgelden, door te specificeren of een hoog bedrag aan lidmaatschapsgelden, samen met de overige eigen inkomsten, in het licht van de specifieke omstandigheden van de concrete situatie, kan wijzen op een aanzienlijke mate van zelfbeschikking van de instelling zonder winstoogmerk?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: EUROSTAT C-448/07 P; T-148/05; T-177/06; C-240/15

Specifiek beleidsterrein: FIN