Expertisecentrum Europees Recht

C-619/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    11 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 februari 2018

Trefwoorden: arbeidsrecht;

Onderwerp:
-           Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;

Feiten:

Verweerder (Spaans ministerie van Defensie) heeft een cassatieberoep ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht ingesteld tegen het - na het arrest verzoekster - gewezen arrest van de TSJMad, waarin het verzoek van verzoekster (verzoekster) gedeeltelijk is toegewezen en, ofschoon de beëindiging van de ad-interimarbeidsovereenkomst tussen de procespartijen gegrond is verklaard, dit ministerie is veroordeeld tot betaling van een vergoeding van twintig dagen salaris per gewerkt jaar. Verzoekster kwam op tegen de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst op grond dat sprake was van onrechtmatig ontslag aangezien zij, wegens fraude bij tijdelijke aanstellingen, als werkneemster voor onbepaalde tijd moest worden aangemerkt. Verzoekster eiste dat de rechter de beëindiging als onrechtmatig ontslag zou aanmerken, wat betekende dat haar werkgever op grond van artikel 56, lid 1, werknemersstatuut moest worden gelast, een keuze te maken tussen haar weer in dienst nemen dan wel haar een vergoeding van 33 dagen salaris per gewerkt jaar te betalen. Volgens het bestreden arrest waren de tijdelijke arbeidsovereenkomst van de werkneemster en de beëindiging hiervan echter rechtmatig en was er geen sprake van onrechtmatig ontslag. De TSJMad is van oordeel dat de in artikel 52 werknemersstatuut neergelegde wettelijke regeling betreffende ontslag op objectieve gronden naar analogie moet worden toegepast voor zover de beëindiging van de overeenkomst nodig is in verband met de productie, en is voorts van oordeel dat de verschillen in vergoeding bij beëindiging wegens de afloop van een tijdelijke overeenkomst en beëindiging wegens economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen als discriminatie moeten worden beschouwd, zodat wanneer een tijdelijke overeenkomst wordt beëindigd omdat de rechtsgeldige beëindigingsgrond zich voordoet, een vergoeding dient te worden uitgekeerd, zoals uit het arrest verzoekster blijkt.

Overweging:

De uit het arrest verzoekster getrokken conclusie heeft geleid tot diverse uiteenlopende uitleggingen van de Spaanse rechters in arbeids- en socialezekerheidszaken in tal van gedingen betreffende de beëindiging van tijdelijke overeenkomsten, en de verwijzende rechter moet ervoor zorgen dat de rechterlijke beslissingen in dezelfde materie op het gehele Spaanse grondgebied zo eenduidig mogelijk zijn. Derhalve dient hij te onderzoeken in hoeverre de oplossing van de TSJMad rechtvaardiging vindt in de noodzaak de rechterlijke beslissingen in overeenstemming te brengen met de uitlegging die in het arrest verzoekster betreffende deze zelfde zaak aan richtlijn 1999/70 is gegeven. Door het arrest verzoekster zijn heel wat twijfels gerezen in later aanhangig gemaakte gedingen en heeft dit arrest geleid tot uiteenlopende beslissingen van de verschillende Spaanse gerechtshoven alsook tot twijfels die op zijn minst tot uiting zijn gekomen in zaak C-677/16 en in de zaken C-574/16 C-212/17.

Prejudiciële vragen:

1. Moet clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die niet voorziet in een vergoeding bij de beëindiging van een ad-interimovereenkomst ter vervanging van een andere werknemer die recht heeft op behoud van zijn arbeidsplaats wanneer die beëindiging het gevolg is van de terugkeer van de vervangen werknemer, en die wel daarin voorziet wanneer aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst andere wettelijk vastgestelde gronden ten grondslag liggen?

2. In geval van een ontkennend antwoord op de eerste vraag: valt een maatregel als vastgesteld door de Spaanse wetgever die voorziet in de uitkering van een vergoeding van twaalf dagen salaris per gewerkt jaar aan de werknemer bij de afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst onder de werkingssfeer van clausule 5 van de raamovereenkomst, zelfs wanneer de tijdelijke aanstelling is beperkt tot slechts één overeenkomst?

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: is een wettelijke bepaling die tijdelijke werknemers bij de beëindiging van de overeenkomst een vergoeding van twaalf dagen salaris per gewerkt jaar toekent, maar tijdelijke werknemers van deze vergoeding uitsluit in geval van een ad-interimovereenkomst ter vervanging van een werknemer die recht heeft op behoud van zijn arbeidsplaats, in strijd met clausule 5 van de raamovereenkomst?
 
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kücük C-586/10; Fiamingo e.a. C-362/13, C-363/13 en C-407/13; Rabal Cañas C-392/13; verzoekster C-596/14; Martínez Andrés en Castrejana López C-184/15 en C-197/15; Montero Mateos C-677/16; Grupo Norte Facility C-574/16; Rodríguez Otero C-212/17;

Specifiek beleidsterrein: SZW