Expertisecentrum Europees Recht

C-623/17 Privacy International

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    20 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    06 februari 2018

Trefwoorden: bescherming persoonsgegevens; nationale veiligheid

Onderwerp:
-           VEU;
-           VWEU;
-           Handvest van de grondrechten;
-           Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: richtlijn gegevensbescherming);
-           Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (hierna: e-privacyrichtlijn);

Feiten:

Verzoekster (Privacy International) is een non-gouvernementele mensenrechtenorganisatie. Verweerders zijn de de minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, de minister van Binnenlandse Zaken en de drie veiligheids- en inlichtingendiensten, te weten: de Government Communications Headquarters (GCHQ), de Secret Service  (MI5) en de Secret Intelligence Service (MI6) (hierna: de VI-diensten). Op grond van Section 94 van de Telecommunications Act 1984 mag een minister aan een exploitant van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht in het belang van de nationale veiligheid. De VI-diensten hebben bulkcommunicatiegegevens verkregen in overeenstemming met dergelijke aanwijzingen. De gegevens omvatten verkeers- en locatiegegevens die informatie verstrekken over sociale, commerciële en financiële activiteiten en reizen. Deze gegevens worden veilig bewaard door de VI-diensten. Verzoekster stelt dat deze verwerving van bulkcommunicatiegegevens volgens het Unierecht onwettig is en dat de vereisten van het arrest Watson hier van toepassing zijn. Nationale veiligheid vormt geen grond om jurisdictie uit te sluiten. Indien een uitzondering wordt gebruikt om af te wijken van of nadere voorwaarden te stellen aan de rechten en verplichtingen van artikel 5 van de e-privacyrichtlijn, moet deze in overeenstemming zijn met de minimumstandaarden die door het EU-recht worden voorgeschreven. De bewoordingen van artikel 4 VEU dat de Unie de essentiële staatsfuncties moet eerbiedigen, moeten zo worden gelezen dat daarbij enkel administratieve en uitvoerende verantwoordelijkheden worden verleend. Volgens verweerders zou het niet in overeenstemming zijn met het VEU als het arrest Watson van toepassing zou zijn op de nationale veiligheid, omdat de nationale veiligheid de uitsluitende verantwoordelijkheid van de lidstaten blijft en zij geen essentiële staatsfuncties aan de Unie hebben toegewezen. Het arrest Watson is in strijd met eerdere rechtspraak van het Hof, met name met het arrest Parlement/Raad en Commissie, alsdus verweerders. De waarborgen in artikel 8 EVRM zouden voldoende zijn om de activiteiten van de lidstaten en de veiligheids- en inlichtingendiensten te controleren, en om te zorgen voor voldoende evenwicht tussen de bescherming van het publiek en de privacy

Overweging:

Indien de Watson-vereisten van toepassing zijn op de maatregelen voor het beschermen van de nationale veiligheid, in het bijzonder op de regeling inzake bulkcommunicatiegegevens, zouden zij die maatregelen op basis van het bewijs voor de verwijzende rechter dwarsbomen en het vermogen van de veiligheids- en inlichtingendiensten om de nationale veiligheid te beschermen op kritieke wijze ondermijnen en daarbij de nationale veiligheid van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen. Het Hof wordt verzocht deze gelegenheid te baat te nemen om, door heroverweging of verduidelijking van punt 119 van het arrest Watson of anderszins, te overwegen of de waarborgbepalingen van het EVRM met betrekking tot de verwerving en het gebruik van bulkcommunicatiegegevens door veiligheids- en inlichtingendiensten voldoende zijn om een passend evenwicht te vinden tussen de bescherming van het publiek en de privacy.

Prejudiciële vragen:

1. Valt een vereiste in een aanwijzing van een minister aan een leverancier van een elektronischecommunicatienetwerk dat bulkcommunicatiegegevens verstrekt worden aan de veiligheids- en inlichtingendiensten van een lidstaat, gezien artikel 4 VEU en artikel 1, lid 3, van richtlijn 2002/58/EG betreffende de persoonlijke levenssfeer en elektronische communicatie, binnen de werkingssfeer van het Unierecht en de e-privacyrichtlijn?

2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is: zijn de in het arrest Watson geformuleerde vereisten of andere vereisten, naast de vereisten die worden opgelegd door het EVRM, van toepassing op een dergelijke aanwijzing van een minister? Zo ja, hoe en in welke mate zijn deze vereisten van toepassing, rekening houdende met de essentiële noodzaak voor de veiligheids- en inlichtingendiensten om bulkverwerving en automatische verwerkingstechnieken te gebruiken voor de bescherming van de nationale veiligheid en met de mate waarin dergelijke mogelijkheden op kritieke wijze belemmerd kunnen worden door dergelijke vereisten, voor zover zij verder in overeenstemming zijn met het EVRM?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Advies 1/15 PNR-overeenkomst EU-Canada; Parlement/Raad en Commissie C-317/04 en C-318/04; Ierland/Parlement C-301/06; Commissie/Italië C-387/05; ZZ C-300/11, Remondis C-51/15; Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a. C-293/12 en C-594/12; Tele2 Sverige and Watson e.a. C-203/15 en C-698/15.

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK