Expertisecentrum Europees Recht

C-646/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    11 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 februari 2018

Trefwoorden: strafrecht

Onderwerp:
-           Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

Feiten:

Het Italiaanse wetboek van strafvordering biedt de mogelijkheid tot oplegging van een straf op verzoek van de partijen, de verdachte en/of het openbaar ministerie, bekend als ‘patteggiamento’); met dit soort procedures wordt de procesgang verkort en worden aan de verdachte bepaalde voordelen toegekend, waaronder strafvermindering. Om toepassing van de patteggiamentoprocedure moet vóór de opening van de terechtzitting worden verzocht. Tijdens de terechtzitting kan hierom slechts worden verzocht indien de verdachte wordt beschuldigd van een nieuw of ander feit ten opzichte van de oorspronkelijk ten laste gelegde feiten, maar niet indien de wettelijke kwalificatie van de feiten wordt gewijzigd.

Bij dagvaarding van 01.04.2016 is Verdachte voor de rechter gedaagd wegens heling. Na opening van de zitting op 13.10.2017 heeft Verdachte spontaan verklaringen afgelegd en toegegeven dat hij de diefstal had gepleegd. Hij werd vervolgens in kennis gesteld van de mogelijkheid dat het hem ten laste gelegde feit wettelijk als diefstal werd geherkwalificeerd, met de verzwarende omstandigheid dat hij het slachtoffer van het strafbare feit, dat zich civiele partij heeft gesteld, grote vermogensschade had berokkend. Gezien deze mogelijkheid heeft de verdachte een verzoek ingediend om oplegging van een straf als bedoeld in artikel 444 c.p.p. (de verdachte en het openbaar ministerie kunnen de rechter verzoeken een vervangende straf of een geldstraf op te leggen), welk verzoek volgens de verwijzende rechter niet ontvankelijk is omdat het na de opening van de zitting is ingediend. Het openbaar ministerie heeft de tenlastelegging niet formeel gewijzigd en heeft de mogelijke herkwalificatie overgelaten aan de rechter. In de onderhavige zaak is in de tenlastelegging uitsluitend de wettelijke kwalificatie van het feit gewijzigd. Dergelijke wijzigingen hebben, ook al vinden zij tijdens de terechtzitting plaats, niet tot gevolg dat de termijnen voor de indiening van een verzoek tot patteggiamento weer worden geopend. Dit vormt voor de verwijzende rechter aanleiding om de verenigbaarheid van deze regeling met het Unierecht in twijfel te trekken.

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt of een dergelijke regeling – die, naargelang de wijziging van de tenlastelegging feitelijke dan wel juridische aspecten betreft, verschillende processuele waarborgen biedt (inzonderheid de mogelijkheid om voor de „patteggiamentoprocedure” te kiezen en de voordelen daarvan te genieten) – verenigbaar is met het Unierecht inzake het recht van verdachten en beklaagden om onverwijld en gedetailleerd te worden ingelicht over de beschuldiging en elke eventuele wijziging daarvan, welke bepalingen ertoe strekken hen in staat te stellen hun rechten van verdediging daadwerkelijk uit te
oefenen.

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 2, lid 1, artikel 3, lid 1, onder c), artikel 6, leden 1, 2 en 3, van richtlijn 2012/13/EU, alsook artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan strafprocesrechtelijke bepalingen van een lidstaat op grond waarvan de rechten van de verdediging bij wijziging van de tenlastelegging in kwalitatief en kwantitatief opzicht verschillen naargelang de wijziging de feitelijke aspecten dan wel de juridische kwalificatie van de tenlastelegging betreft, met inzonderheid tot gevolg dat de verdachte alleen in het eerste geval kan verzoeken om toepassing van de alternatieve, gunstigere ‚patteggiamentoprocedure’, waarbij op verzoek van de partijen een tussen hen overeengekomen straf wordt opgelegd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV