Expertisecentrum Europees Recht

C-417/18 AW e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 augustus 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    02 oktober 2018

Trefwoorden: staatsaansprakelijkheid; telecom;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van [7 maart 2002] inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG (hierna: de richtlijn);


Feiten:

Verzoekers vorderen bij de verwijzende rechter de veroordeling van de Litouwse Staat tot betaling van o.a. €4.000.000,- aan de erfgenamen van slachtoffer ES. Toen het slachtoffer “112” belde vanuit haar mobiele telefoon, gaven de exploitanten geen precieze informatie over haar locatie door aan het BPC (centrum voor respons in noodsituaties), omdat het onmogelijk was het telefoonnummer van het slachtoffer te identificeren. Verzoekers voeren in hun vordering aan dat Litouwen, vertegenwoordigd door het Ministerie (Binnenlandse Zaken), het BPC en de RRT (controleautoriteit voor communicatie), niet heeft gezorgd voor de uitvoering van artikel 26(5) van de richtlijn op grond waarvan exploitanten van communicatiediensten locatiegegevens moeten doorgeven aan noodhulpdiensten met betrekking tot personen die “112” bellen en daarmee haar verplichtingen krachtens de richtlijn en tegelijkertijd krachtens artikel 288(3) VWEU schendt. Verzoekers stellen dat alle noodhulpoproepen van het slachtoffer werden ontvangen zonder weergave van een telefoonnummer. Volgens verzoekers heeft het gebrek aan locatiegegevens verhinderd dat politieagenten in het veld een geslaagde reddingsoperatie konden uitvoeren. De RRT betoogt dat het loutere feit dat geen locatiegegevens waren ontvangen, niet betekent dat artikel 26 van de richtlijn was geschonden en dus ook geen grond vormt voor aansprakelijkheid van de Staat. Het BPC voert aan dat het krachtens de bepalingen van de richtlijn niet verplicht is te zorgen voor ontvangst van informatie over de locatie van de beller in geval van oproepen vanuit mobiele telefoons zonder simkaart. Het Ministerie stelt dat de bepalingen van de richtlijn naar behoren zijn omgezet, dat de overheidsinstanties geen onrechtmatigheden hebben begaan en dat er geen causaal verband bestaat tussen het optreden van de overheidsinstanties en de strafbare feiten die zijn gepleegd ten aanzien van het slachtoffer.


Overweging:

De verwijzende rechter concludeert dat het in casu niet vaststaat of: (1) artikel 26(5) van de richtlijn de verplichte verstrekking van locatiegegevens regelt in het geval van oproepen vanuit toestellen zonder simkaart en (2) het feit dat personen op grond van nationale wetgeving zonder simkaart “112” kunnen bellen, inhoudt dat locatiegegevens moeten worden vastgesteld op grond van artikel 26(5) van de richtlijn. De verwijzende rechter gaat daarom over tot het stellen van de prejudiciële vragen. Indien de antwoorden van het Hof op de eerste vraag en/of de tweede vraag inhouden dat de bevoegde instanties van de lidstaat in die omstandigheid ervoor hadden moeten zorgen dat kon worden vastgesteld waar een beller naar “112” zich bevond, is het in casu van belang te vernemen of de nationale wetgever heeft gezorgd voor de nodige nauwkeurigheid ter vaststelling van de plaats waar de beller zich bevond.


Prejudiciële vragen:

1. Regelt artikel 26, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, de verplichte verstrekking van locatiegegevens in het geval van oproepen vanuit toestellen zonder simkaart?

2. Houdt het feit dat personen op grond van nationale wetgeving het Europese alarmnummer „112” zonder simkaart kunnen bellen in dat locatiegegevens voor dergelijke noodhulpoproepen moeten worden vastgesteld op grond van artikel 26, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG?

3. Is de in punt 4.5.4 van de procedure voor de toegang van abonnees en/of gebruikers tot diensten van instanties die noodhulpdiensten verstrekken neergelegde nationale wetgeving (in de versie die van kracht was van 11 november 2011 tot en met 15 april 2016), die onder meer bepaalt dat aanbieders van openbare mobiele netwerken locatiegegevens moeten verstrekken met een nauwkeurigheid van het bereik van basisstations (per sector) (Celidentiteit), maar die geen minimale nauwkeurigheid (in termen van afstand) aangeeft waarmee basisstations de locatie van de beller moeten bepalen en evenmin wat de distributiedichtheid (in termen van afstand) moet zijn van basisstations, in overeenstemming met artikel 26, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, dat bepaalt dat de bevoegde regelgevende instanties criteria moeten vaststellen voor de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de verstrekte locatiegegevens over de beller?

4. Indien de antwoorden op de eerste vraag en/of tweede vraag aldus inhouden dat een lidstaat ervoor moet zorgen dat locatiegegevens worden vastgesteld op grond van artikel 26, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, en/of het antwoord op de derde vraag aldus inhoudt dat de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met artikel 26, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, dat bepaalt dat de bevoegde regelgevende instanties criteria moeten vaststellen voor de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de verstrekte locatiegegevens over de beller, moet een nationale rechter dan bij zijn beslissing over de kwestie van de schadevergoeding een rechtstreeks causaal verband vaststellen tussen de schending van Unierecht en de door de particulieren geleden schade, of volstaat dat een indirect causaal verband tussen de schending van Unierecht en de door de particulieren geleden schade wordt vastgesteld ingeval op grond van bepalingen van nationaal recht en/of nationale rechtspraak een indirect causaal verband tussen de onrechtmatigheden en de door de particulieren geleden schade afdoende is om tot aansprakelijkheid te komen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Factortame C-46/93 en C-48/93; Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation C-524/04; Transportes Urbanos y Servicios Generales C-118/08.

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK