Expertisecentrum Europees Recht

C-484/18 SPEDIDAM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    19 september 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    05 november 2018

Trefwoorden: intellectueel eigendom; auteursrecht; media

Onderwerp:

-           Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (hierna: richtlijn);


Feiten:

Het INA is verantwoordelijk voor het bewaren en tot zijn recht laten komen van het nationale audiovisuele erfgoed. Het bewaart de audiovisuele archieven van de nationale radio- en televisiezenders en draagt bij aan de exploitatie ervan. PG en GF verwijten het INA dat het, zonder hun toestemming, op zijn website videogrammen en een fonogram te koop heeft aangeboden met uitvoeringen door de jazzdrummer waarvan zij de rechthebbenden zijn. Het INA beroept zich op een bijzondere wettelijke regeling op basis waarvan het de archieven kan exploiteren door de uitvoerend kunstenaars een forfaitaire vergoeding te betalen zoals vastgesteld in collectieve overeenkomsten met hun representatieve vakbonden. De rechthebbenden stellen dat die wettelijke regeling strijdig is met de richtlijn. De rechter in tweede aanleg heeft de vorderingen tot schadeloosstelling tegen het INA afgewezen. Eisers tot cassatie betogen dat, hoewel de opdracht van het INA van algemeen belang is, het nastreven van dat doel en dat belang geen rechtvaardiging kan vormen voor een niet door de wetgever van de Unie bepaalde afwijking van de bescherming die de richtlijn aan uitvoerend kunstenaars biedt, waardoor het INA de dragers waarop de uitvoeringen van die kunstenaars zijn vastgelegd commercieel kan exploiteren (C-301/15). Zij menen dat de rechter in tweede aanleg in zijn uitspraak ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de artikelen 2, 3 en 5 van de richtlijn.


Overweging:

De uitzonderingsregeling ten gunste van het INA valt onder geen van de beperkingen en restricties die de lidstaten kunnen vaststellen op grond van artikel 5 van de richtlijn. Het arrest C-301/15 kan niet mutatis mutandis worden toegepast op het onderhavige geschil. De wetgeving betreffende niet meer verkrijgbare boeken week inderdaad af van de bescherming van auteurs door de richtlijn, maar de uitzonderingsregeling die is ingevoerd ten gunste van het INA voor een doel van algemeen belang, waardoor het INA de rechten waarvan het houder is kan exploiteren, is bedoeld om de rechten van uitvoerend kunstenaars met die van producenten te verzoenen, en dat op gelijke voet. Derhalve rijst de vraag, of artikel 2b), artikel 3(2)a), en artikel 5 van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de uitzonderingsregeling waarvan het INA geniet krachtens artikel 49 II, van de wet betreffende de vrijheid van mededeling.


Prejudiciële vragen:

Dienen artikel 2, onder b), artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, aldus te worden uitgelegd dat zij er  zich niet tegen verzetten dat bij nationale regelgeving, zoals artikel 49, II, van wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van mededeling, zoals gewijzigd door artikel 44 van wet nr. 2006-961 van 1 augustus 2006, ten gunste van het Institut national de l’audiovisuel, dat wat betreft de  audiovisuele archieven de begunstigde van de exploitatierechten van de nationale programmamaatschappijen is, een uitzonderingsregeling wordt ingevoerd volgens welke de exploitatievoorwaarden voor de prestaties van uitvoerend kunstenaars en de vergoedingen voor die exploitatie worden geregeld door overeenkomsten tussen de uitvoerend kunstenaars zelf of hun representatieve werknemersorganisaties enerzijds en dat instituut anderzijds, waarbij in die overeenkomsten de tarieflijst van de vergoedingen en de betalingsvoorwaarden voor die vergoedingen worden gespecificeerd?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Soulier en Doke C-301/15;

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW