Expertisecentrum Europees Recht

C-517/18 Fédération des fabricants de cigares

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    09 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 november 2018

Trefwoorden: tabak en rookwaren; volksgezondheid; rechtszekerheid;

Onderwerp:

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG;


Feiten:

Verzoekster (Fédération des fabricants de cigares) heeft de minister-president verzocht om intrekking van het decreet inzake de productie, de presentatie, de verkoop en het gebruik van tabak, vaping-producten en voor roken bestemde producten op basis van kruiden andere dan tabak (hierna: decreet). Vervolgens vordert zij de nietigverklaring wegens bevoegdheidsoverschrijding van de stilzwijgende beslissing waarmee de minister-president haar verzoek heeft afgewezen. Verzoekster stelt dat het decreet zijn bevoegdheid overschrijdt door vermeldingen toe te voegen die niet zijn voorzien bij de richtlijn. Tevens zou het decreet een onevenredige inbreuk vormen op de vrijheid van ondernemerschap, de vrijheid van meningsuiting en het recht op eigendom. Verweerder (minister van Solidariteit en Volksgezondheid) concludeert primair tot schorsing van de behandeling en subsidiair, tot afwijzing van het verzoek. De société nationale d’exploitation industrielle des tabacs et allumettes (interveniënt) betoogt dat een letterlijke uitlegging van de richtlijn zou leiden tot het verbod van bepaalde merknamen, die essentieel zijn voor de identificatie van het product en dat artikel 13 van de richtlijn problematisch is vanuit het oogpunt van het recht op eigendom, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, zelfs wanneer een procedure op tegenspraak is voorzien.


Overweging:

In casu volgt uit artikel 13(1) juncto artikel 13(3) van de richtlijn dat de lidstaten het gebruik van bepaalde elementen en kenmerken, waaronder namen en merken, op verpakkingseenheden, op buitenverpakking en op het tabaksproduct zelf moeten verbieden wanneer die bij de consument met name een onjuiste indruk wekken over de kenmerken of gevolgen van een product. Verder maakt artikel 24(2) van de richtlijn het de lidstaten mogelijk om onder bepaalde voorwaarden verdere voorschriften met betrekking tot de standaardisering van de verpakking van tabaksproducten te handhaven of in te voeren, voor zover het aspecten betreft die niet zijn geharmoniseerd door de richtlijn. Die bepalingen doen in de eerste plaats de belangrijke vraag rijzen naar de uitlegging van artikel 13 leden 1 en 3 van de richtlijn met betrekking tot de draagwijdte van de verboden. Daarnaast rijst de vraag of die verboden noodzakelijk zijn om het doel (volksgezondheid) te bereiken en of ze voldoende duidelijk zijn. De beoordeling van de geldigheid van deze bepalingen levert ten slotte een moeilijkheid op betreffende de uitlegging van het Unierecht, gelet op het recht van eigendom, de vrijheid van meningsuiting en van ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel. Alvorens uitspraak te doen over de middelen van het verzoek betreffende de materiële wettigheid van de bekritiseerde bepalingen, moeten zij bijgevolg worden voorgelegd aan het Hof.


Prejudiciële vragen:

1. Moeten de leden 1 en 3 van artikel 13 van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 aldus worden uitgelegd dat op verpakkingseenheden, buitenverpakking en tabaksproducten geen merknamen mogen worden gebruikt die naar bepaalde eigenschappen verwijzen, ongeacht de bekendheid van de merknaam in kwestie?

2. Al naargelang van de uitlegging die moet worden gegeven aan de leden 1 en 3 van artikel 13 van de richtlijn, zijn die bepalingen, voor zover zij van toepassing zijn op namen en merken, in overeenstemming met het eigendomsrecht, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid?

3. Indien de vorige vraag bevestigend moet worden beantwoord, eerbiedigen de leden 1 en 3 van artikel 13 van de richtlijn, in samenhang gelezen met lid 2 van artikel 24 van dezelfde richtlijn, het eigendomsrecht, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Philip Morris Brands e.a. C-547/14; Pillbox 38 C-477/14; British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco C-491/01.

Specifiek beleidsterrein: VWS; EZK;