Expertisecentrum Europees Recht

C-524/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    03 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    19 november 2018

Trefwoorden: voedingssupplementen;

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (hierna: verordening);


Feiten:

Verzoekster (Dr. Willmar Schwabe) produceert en verkoopt in Duitsland onder de benaming Tebonin® kruidengeneesmiddelen met extract van ginkgobladeren. Deze geneesmiddelen mogen worden gebruikt voor de symptomatische behandeling van hersengebonden verminderde geestelijke prestaties, waaronder vooral geheugen en concentratiestoornissen. Verweerster (Queisser Pharma) verkoopt geneesmiddelen en voedingssupplementen onder de overkoepelende merknaam Doppelherz®, waaronder het voedingssupplement Doppelherz® aktiv Ginkgo + B-Vitamine + Cholin. Op de voorzijde van de verpakking van dit product stond: “B-Vitamine und Zink) für Gehirn, Nerven, Konzentration und Gedächtnis”. Volgens verzoekster levert deze claim schending op van meerdere bepalingen van de verordening en van het in het levensmiddelenrecht en in het mededingingsrecht neergelegde algemene verbod van misleiding. Verzoekster heeft met haar vordering verzocht om verweerster op straffe van dwangmiddelen te verbieden het voedingssupplement aan te prijzen, wanneer dat geschiedt zoals hiervoor uiteengezet. Verzoekster heeft verweerster bovendien verzocht om informatie te verstrekken en om rekening en verantwoording af te leggen en heeft tevens verzocht om vaststelling van verweersters schadevergoedingsplicht. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen. Verzoeksters hoger beroep is tevens niet geslaagd. Met haar beroep in Revision handhaaft verzoekster haar vorderingen.


Overweging:

Of het beroep in Revision slaagt, hangt af van de uitlegging van artikel 10(3) van de verordening. Voor de gegrondheid van de vorderingen is het van belang hoe het kenmerk “gepaard gaan met” in de zin van artikel 10(3) van de verordening moet worden uitgelegd. Deze verduidelijking wordt beoogd met de eerste prejudiciële vraag. Daarnaast is het bepalend of het in hoofdstuk II van de verordening opgenomen vereiste van een algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs overeenkomstig artikel 5(1)a) en artikel 6(1) van de verordening van toepassing is op verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen in de zin van artikel 10(3) van de verordening (tweede prejudiciële vraag).


Prejudiciële vragen:

1. Gaat een verwijzing naar algemene, niet-specifieke voordelen op het gebied van de gezondheid reeds „gepaard met” specifieke gezondheidsclaims overeenkomstig de in de artikelen 13 en 14 van verordening (EG) nr. 1924/2006 bedoelde lijsten, in de zin van artikel 10, lid 3, van deze verordening, wanneer de verwijzing en de toegestane claims zich respectievelijk op de voorzijde en op de achterzijde van een verzamelverpakking bevinden en de claims volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen inhoudelijk weliswaar duidelijk verband houden met de verwijzing maar de verwijzing geen ondubbelzinnige referentie, zoals bijvoorbeeld een asterisk, naar de claims op de achterzijde bevat?

2. Moeten ook verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen in de zin van artikel 10, lid 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 onderbouwd zijn met bewijzen in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 6, lid 1, van deze verordening?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Verbraucherzentrale Bundesverband/Teekanne C-195/14;

Specifiek beleidsterrein: VWS