Expertisecentrum Europees Recht

EU-Hof beperkt België-route

Een derdelander die door een Nederlandse partner tijdens een weekendtrip is opgehaald in Brussel, kan in Nederland op grond van het EU-recht geen aanspraak maken op verblijf bij de partner. Dat kan alleen als de Nederlander zich daadwerkelijk in België had gevestigd en zij daar samen een gezinsleven hebben opgebouwd. Weekends of vakanties kunnen geen afgeleid verblijfsrecht opleveren, niet in het gastland en niet in Nederland. Dat kan worden afgeleid uit antwoorden van het EU-Hof op vragen van de Nederlandse Raad van State.

Het gaat om de arresten van het EU-Hof van 12 maart 2014 in de zaak C-456/12, O. tegen de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel en Minister voor Immigratie en Asiel tegen B., en in de zaak C-457/12, S. tegen Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tegen G.

zaak C-456/12

In deze zaak gaat het om O., een Nigeriaan die sinds 2007 in Spanje woonde en zijn Nederlandse echtgenote die twee maanden bij hem heeft verbleven maar is teruggekeerd omdat ze geen werk kon vinden, en B., een Marokkaan die na zijn ongewenstverklaring in Nederland twee jaar in het Belgische Retie woonde waar zijn Nederlandse echtgenote hem wekelijks bezocht.

Het EU-Hof geeft in deze zaken aan dat richtlijn 2004/38 betreffende het vrij verkeer van Burgers van de Unie en hun familieleden niet kan worden toegepast. Die richtlijn geeft geen regels voor de terugkeer van EU-burgers naar hun eigen lidstaat. Het Hof gaat daarom te rade bij artikel 21 van het EU-Werkingsverdrag, dat het vrij personenverkeer voor EU-burgers regelt. Daaruit leidt het Hof twee forse voorwaarden af voor een afgeleid verblijfsrecht voor de derdelander. Die voorwaarden ontleent het EU-Hof aan een analoge toepassing van Richtlijn 2004/38. Ten eerste moet er sprake zijn geweest van een ‘daadwerkelijk verblijf’ in het gastland. Dat is alleen het geval, volgens het Hof, wanneer de Unieburger langer dan drie maanden wilde verblijven in het gastland en zich daartoe heeft gevestigd in het gastland overeenkomstig artikel 7 van de richtlijn. Ten tweede verlangt het Hof dat in het gastland een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd en dat de derdelanders daar een afgeleid verblijfsrecht hebben verworven.

De Raad van State moet nu nagaan of de Unieburgers in deze zaken zich in het gastland hebben gevestigd, en daar dus daadwerkelijk hebben verbleven, en of de derdelanders vanwege het tijdens dat daadwerkelijke verblijf geleide gezinsleven krachtens en onder eerbiediging van richtlijn 2004/38 een afgeleid verblijfsrecht hadden in het gastland.

Het EU-Hof geeft voorts aanwijzingen hoe misbruik van EU-voorschriften kan worden voorkomen.

Verder had de Raad van State gevraagd of door het cumulatieve effect van verschillende verblijven van korte duur in het gastland, bij de terugkeer van de Nederlander een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan voor de derdelander. Volgens het EU-Hof ontstaat een afgeleid verblijfsrecht alleen door een verblijf dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 (verblijfsrecht langer dan drie maanden)  of artikel 16 (duurzaam verblijf) van richtlijn 2004/38. In dit verband vallen verblijven van korte duur, zoals weekends of vakanties in een andere lidstaat dan die waarvan die burger de nationaliteit bezit, zelfs samengenomen, onder artikel 6 van richtlijn 2004/38 (verblijfsrecht korter dan drie maanden) en voldoen zij niet aan die voorwaarden.

zaak C-457/12

In deze zaak ging het om het verblijfsrecht van de Peruaanse echtgenote van een Nederlandse grensarbeider die in België werkt en de Oekraiense schoonmoeder van een Nederlander, die een dag per week naar België moest voor zijn werk.

Volgens het Hof kan een derdelander als familielid van een EU-burger die grensarbeider is of regelmatig werkt in een andere lidstaat, onder omstandigheden, een afgeleid verblijfsrecht hebben in de lidstaat waarvan de EU-burger onderdaan is. Het derdelander familielid heeft een dergelijk afgeleid recht op grond van het vrij verkeer van werknemers in de EU. Wél moet de nationale rechter nagaan of een weigering van zo’n afgeleid verblijfsrecht de EU-burger zou belemmeren om zijn recht op vrij verkeer van werknemers uit te oefenen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het derdelander familielid zorg draagt voor de kinderen in het gezin. Daarbij tekent het Hof aan dat een derdelander-oma die de kinderen verzorgt redelijkerwijs minder snel aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht dan de derdelander-partner van de EU-burger.

Het Hof had deze lijn al eerder uitgezet in het arrest Carpenter waarin het ging om het vrij verkeer van diensten. Het past dit arrest nu analoog toe in een situatie waarin het gaat om het vrij werknemersverkeer.